El Chott 2005

November 2005

Zaterdag 5-11: Ksar Ghilane – Bir Auione (72,79 km)

Vandaag weer een echte duinenetappe. Omdat ik gisteren niet gestart ben, heb ik er vandaag weer zin in. Ik zie veel gespannen gezichten om mij heen, en ik ben zelf ook best gespannen. De afstand is niet heel groot, en de eerste 58 km gaan over een piste naar de duinen toe. Ze hebben me beloofd dat de duinen makkelijker zijn dan die van de vorige etappe, omdat ze hoger zijn. Dat zou betekenen dat ze minder steil zijn, en dat ik dus niet zoveel haakse bochten hoef te draaien, nou, we zullen wel zien.

Ik rijd samen met Jeroen op. Bij de eerste DK zie ik de eerste duin liggen, en die ziet er vet indrukwekkend uit. Een meter of 100 hoog, en de volgende DK ligt ergens halverwege. Ik rij voorop probeer een beetje het spoor van mijn voorgangers te volgens, maar die gaan echt alle kanten op. Ik kies voor een autospoor, in de hoop dat ik daarmee de juiste keuze maak.

Vlak voor ik de duin oprij, zie ik de DK liggen. Met verbazingwekkend veel gemak kom ik bij de DK. Daar tref ik diegene die ons namens de organisatie de vorige keer de weg uit de duinen heeft laten zien. Hij wenst me veel geluk en zegt me vooral ‘stillekes aan’ te doen. Ik beloof dat, want hard zal het toch niet gaan. Binnen 100 meter na de DK zit ik zo vast als een huis in duinpannetje. Hoe kom ik hier in godesnaam weer uit? Overal om mij heen gaat het zand omhoog. Ik krijg nooit genoeg snelheid om boven te komen. Ik besluit uiteindelijk de motor op zijn kant te leggen en aan het voorwiel in een andere richting te trekken. In die richting is het iets vlakker, misschien kan ik daar een aanloopje nemen. Als ik met veel gesleur en getrek de motor om heb, moet ik hem nog optillen. Nu weet ik waarom al die anderen (behalve die stomme Hollanders) een lichte brommer hebben meegenomen: die wisten dit al! Eindelijk heb ik hem overeind. Eerst mijn jas uit en in mijn rugzakje doen, want ondanks het vroege uur, druip ik al van het zweet. Ik start mijn brommer en blijf er naast lopen om te voorkomen dat hij weer vast komt te zitten. Het lukt! Nu nog omdraaien en dan volgas tegen de berg op. Ook dat lukt, en met een schreeuw van blijdschap kom ik net uit het dalletje boven op de kam van de duin. Daarachter ligt gelijk de volgende. Ik laat de motor langzaam naar beneden rijden, en prompt slaat-ie af! Oh nee hè, niet nu! Voordat ik helemaal beneden ben, kan ik remmen, zodat het achterwiel nog steeds hoger staat dan het voorwiel. Ik krijg hem weer gestart en vervolgens vol gas in z’n 2 proberen boven te komen. Gelukkig kan ik intussen aan de andere sporen zien waar het hard is en waar niet. Ik kies het juiste gedeelte van de duin, en staat boven. Dit overkomt nog een paar keer.. Wat me ook een keer of drie keer gebeurt, is dat ik vergeet op tijd gas te geven als ik onderin de kom van de duin ben. Omdat het daar zo verschrikkelijk mul is geworden door de auto’s die mij intussen beginnen in te halen, slaat het stuur steeds uit mijn handen, waardoor ik dus telkens onderin de duin tot stilstand kom. Met hangen en wurgen krijg ik de motor wel boven, maar het kost me vreselijk veel kracht. Zo kan het niet de hele dag doorgaan, dat hou ik nooit vol.

In een van de duinpannetjes staat een oude verschrompelde boom, maar die is dik genoeg en je er flink op te pletter te rijden. Natuurlijk probeer ik er omheen te rijden, maar uiteindelijk kom ik veel dichter bij de boom uit dan ik gepland had. Het gas eraf, en ja hoor, ik zit weer vast.

Nu geef ik het ff op. Ik ga zitten en laat eerst een aantal deelnemers passeren. Als ik weer een beetje bij krachten ben probeer ik de motor om te kiepen, maar hij zit zo vast, dat zelfs dat niet lukt. Ik zal moeten graven, ook dat nog. Uiteindelijk kom ik met behulp van Thomas, en LC4 rijder uit Duitsland toch boven. Daarna gaat het eigenlijk best lekker, en ik ben ruim binnen de gestelde 3 uur (45 minuten) bij DK2. Ik mag dus door naar de volgende DK, maar eerst besluit ik een half uur in de schaduw uit te rusten met een paar anderen die daar ook zitten. Thomas zat vlak achter mij, maar komt een half uur later pas binnen.

Intussen komen er meer auto’s langs, en ook de eerste trucks melden zich. De opgang naar de volgende duin is zo verschrikkelijk steil, dat een aantal auto’s en trucks niet eens omhoog komen. Ik kijk met grote angst uit naar mijn poging om daar naar boven te rijden: in een keer een bult mul zand van 80 meter oprijden met allemaal kuilen en hobbels in de aanloop. De aanloop is intussen ook al zo kapot gereden dat daar voor een motorrijder geen doorkomen aan in. Tot overmaat van ramp zich er bovenin ook nog eens een haakse bocht in het spoor. Ik besluit wijselijk een aantal rijders met lichte motoren voor te laten gaan. Een daarvan kiest een spoor dat ik wel zie zitten. Ik raap alle moed bij elkaar, start mijn brommer en ga in z’n 2 richting de berg. Ik besluit eerst het spoor te volgen van de trucks en auto’s die er niet tegenop kwamen. Die zijn om de duin heen gereden, maar nog geen 500 meter verder komt mij de Scania racetruck alweer tegemoet: dit is dus ook niet de juiste weg, dan maar omdraaien en een poging wagen. Als ik terugkom bij de DK zijn de anderen al vertrokken. Nu dus alleen. Ik kan niet vol gas rijden, omdat de aanloop daarvoor veel te ongelijk is (veel kuilen en hobbels). Onderaan de duin gaat de kraan vol open. Dan pas voel ik weer de kracht van de 65 pk onder mijn kont. Gelukkig heb ik niet vergeten de banden bijna volledig leeg te laten lopen voor meer draagvlak. Ik red het in 1 keer, man wat ben ik blij!

De duin gaat vervolgens nog verder omhoog. Het eerste uur gaat het nog redelijk goed, maar zo goed als het vanochtend ging, zo slecht gaat het daarna. Ik zit erg veel vast, moet de motor dus erg vaak en veel optillen en verplaatsen. Het komt niet alleen omdat ik moet ben, maar ook omdat het zand gedurende de ochtend veel zachter is geworden en omdat er intussen redelijk wat auto’s overheen zijn gegaan. Ik denk aan de snellere rijders: die zijn er misschien al door. Ik moet nog ruim 20 km, en op zich moet dat kunnen. Ik vindt weer aansluiting bij de rijders die bij DK2 stonden. 2 van de 3 rijden op lichte fietsen, en die kan ik absoluut niet bijhouden. Detlef rijdt op een zelfgebouwde rallye LC4 en vraagt om samen te rijden. Ik stem in, ook omdat ik weet dat hij goed kan rijden. Ondanks dat standen we al vrij snel daarna. De motor van Detlef start niet meer en ik zit weer vast. Ook kookt die van mij omdat mijn ventilatoren het niet doen. Ik besluit dus te stoppen en in de schaduw even weer bij te komen. Een stel Zwitsers in een groen Landcruiser geeft ons allebei een fles water. Super aardig, vooral omdat de meeste autorijders het niet zo hebben op motorrijders, want die liggen veel te vaak in ‘hun’ spoor…Na een half uur liggen hoor ik ineens een andere motor. Daar is Thomas weer. We gaan met z’n 3-en verder, maar al gauw krijgt Detlef een lekker achterband en blijft alleen achter.

Ik ga met Thomas verder. Mijn GPS geeft aan dat ik in de buurt moet zijn van DK3, maar de mensen die op de duin staan geven aan dat hij daar niet is. Ik rijdt naar hen toe en ze vertellen dat ze al een tijdje in de rondte hebben gekeken, maar niets kunnen vinden. Het kan zijn dat er een fout in het roadbook zit, en dat daardoor de coördinaten verkeerd zijn uitgerekend. Zo aan de sporen te zien lijkt het erop dat de hele rallye hier langs is gekomen. Het is hier vandaan hemelsbreed nog 12 km naar het kamp. We hebben nog 2 uur voordat het donker wordt.

Intussen worden we bijgehaald door 2 andere auto’s. Thomas stelt voor achter hen aan te rijden, maar ik vind ze eigenlijk veel te traag. Als een van de auto’s op de volgende hoge duinopgang vaststaat (het is intussen half vijf/vijf uur), probeer ik er voorbij te komen, maar ik raak zelf weer vast. Gelukkig helpen ze me een handje. Ik rij verder alleen tot ik weer vast kom te zitten. Nu geef ik het echt op, ik kan niet. In de verte zie ik de auto’s weer aankomen. Een van hen blijft in het spoor net na mij steken, de andere wacht even en kiest een ander spoor. Ik ben intussen zo wijs dat ik ze vraag of ze nog een extra aansteker voor me hebben, want ik denk niet dat ik het ga halen voor het donker. Thomas komt ook weer de hoek om. Hij heeft nog wel kracht over, ik niet meer. Ik zie ze allemaal wegrijden over de duintop die voor me ligt, en de moed zinkt met in de schoenen. Ik besluit nog 1 poging te wachten: ik trek de motor met mijn laatste krachten los en krijg hem wonder boven wonder ook nog overeind. Hij start en ik geef gas. Het lukt me om op de duin te komen die me daarvoor zo dwarszat. Ik blijft gas geven en haal Thomas weer in. Hij is blij me weer te zien, en gebaart dat ik vooral door moet rijden. We rijden door totdat het bijna donker is en om 6 uur besluiten we gezamenlijk om te stoppen in een soort vallei. Er ligt voor hout, en voordat het echt donker is, sprokkelen we een lading bij elkaar. Ik heb gelukkig nog een zakje nootjes in mijn rugzak en wat hardkecks met een tube chocopasta. Dat wordt ons avondeten. We wachten zo lang mogelijk met het opeten ervan, zodat we maximaal kunnen profiteren van de voedingswaarde. We steken het vuur pas aan als het echt koud begint te worden. Ik haal mijn reddingsdekentje voor de 2e keer deze rallye te voorschijn. Dat ding werkt echt goed, maar het blijft stoeien. De sterrenhemel is helemaal fantastisch, maar de temperatuur zorgt ervoor dat ik weinig slaap krijg: ik heb het koud en voel me niet goed. Thomas steekt nog een paar vuurpijlen af in de hoop dat we opgehaald worden. Op een gegeven moment zie ik lichtschijnsel achter de hoge duin die voor ons ligt, maar dat verdwijnt weer snel, net als mijn hoop dat we deze nacht in een echte slaapzak zullen liggen.

 

Terug naar dagboek